Tadej Pogacar rekende op eenvoudige wijze af met zijn tegenstanders in het Critérium du Dauphiné. Ondanks een minder goede tijdrit liet de Sloveen er geen twijfel over bestaan dat hij heer en meester is in de bergen. En dat deed hij met ogenschijnlijk gemak, waarbij hij op aanvallen reageerde terwijl hij comfortabel op zijn zadel bleef zitten en trapte met zijn gebruikelijk hoge cadans.
“Hij rijdt

Volgens Zonneveld heeft Pogacar daar veel koppeltraining voor gedaan. “Wattages meten hoeveel kracht je levert, en koppel is het moment waarop je die kracht uitoefent,” legt Zonneveld uit. “Veel renners trainen dat door bergop met een zwaar verzet te rijden. Het is mooi om te zien, want bij hem is dat zo goed ontwikkeld. Zelfs beter dan in andere jaren.”
Wat dat doet, is dat Pogacar zijn toch al abnormale vermogen nog efficiënter kan overbrengen. “Het verklaart ook waarom hij kan aanvallen terwijl hij blijft zitten, omdat hij niet hoeft te gaan staan om veel koppel te leveren. Dat kan hij zittend doen. Ik denk dat hij negentig trapt bergop. Normaal zakt dat, maar bij hem zie je dat nauwelijks.”
Pogacar is in topvorm sinds hij vorig jaar overstapte op kortere cranks, maar Zonneveld twijfelt nog of het zo’n simpele en betrouwbare methode van verbetering is als de Sloveen doet vermoeden. “Het lijkt erop, maar er is nog te weinig hard bewijs dat je daarmee echt makkelijker snelheid kunt vasthouden. Als ze willen versnellen, vinden ze dat juist moeilijker, hebben ze meer moeite om op gang te komen.”
Hij wijst erop dat veel andere renners moeite zouden hebben met dezelfde techniek. “Als je Tiesj Benoot bent die bij elke klim gaat staan, dan schakel je juist op en ga je zwaarder trappen. Als je die hoge trapfrequentie hebt en dat kunt combineren met kortere cranks, dan heb je daar voordeel van. Je blijft iets frisser en er is een aerodynamisch voordeel omdat je iets lager kunt zitten door de hoek van je heup.”
Pogacar blijft natuurlijk een unieke renner. “Misschien is het heel geschikt voor hem, omdat hij dat hoge koppel kan blijven ontwikkelen. Dat moet ook, want als je dat niet kunt, verlies je in theorie explosiviteit. Ik denk dat er zeker iets in zit – als het bij je past, maar dan moet het in de hele positie kloppen.”