Roger De Vlaeminck heeft er nooit een gewoonte van gemaakt zijn mening te verzachten, en als het over Mathieu van der Poel gaat, blijft de Belgische legende opvallend ongevoelig voor het enthousiasme van anderen. Terwijl een groot deel van de moderne wielerwereld de Nederlander beschouwt als een fenomeen van een generatie, ziet De Vlaeminck iets heel anders: een enorm getalenteerde renner die opereert in omstandigheden die hem eerder flatteren dan echt uitdagen.

Voor De Vlaeminck is grootsheid onlosmakelijk verbonden met context. De vijfvoudig winnaar van Parijs–Roubaix groeide op in een tijdperk waarin renners meedogenloos koersten, vaak met langere seizoenen, zwaardere kalenders en veel minder bescherming. Volgens hem miskent men, door hedendaagse sterren rechtstreeks met die uit het verleden te vergelijken, hoe fundamenteel de sport is veranderd. De dominantie van Van der Poel, vooral in het veldrijden, maakt weinig indruk op hem. In de ogen van De Vlaeminck weerspiegelt die vooral een ondiepe concurrentie, eerder dan historische grootsheid.
Hij heeft herhaaldelijk betoogd dat het veldrijden vandaag de dag de diepgang en interne rivaliteit mist die het vroeger kenmerkten. Waar eerdere generaties zich week na week door uitputtende wedstrijden moesten vechten tegen meerdere gelijkwaardige tegenstanders, wint Van der Poel volgens De Vlaeminck vaak simpelweg omdat hij die dag de beste is — niet omdat hij langdurige druk van een breed en sterk peloton moet overleven. Dominantie zonder constante tegenstand is indrukwekkend, maar in zijn ogen niet legendarisch.
De Vlaeminck staat ook sceptisch tegenover de moderne neiging om veelzijdigheid te vieren als vervanging voor langdurige uitmuntendheid. Van der Poels vermogen om in verschillende disciplines te winnen veldrijden, klassiekers, rittenkoersen en zelfs wereldkampioenschappen op de weg wordt vaak aangehaald als bewijs van zijn uitzonderlijke status. De Vlaeminck ziet dit echter als selectieve doelgerichtheid, niet als allesomvattende ambitie. Hij waardeert renners die hun carrière bouwden op meedogenloze consistentie, die overal en elk jaar aan de start stonden, ongeacht terrein of timing.
Onder De Vlaemincks kritiek schuilt ook een duidelijke generatiekloof. Hij heeft weinig geduld met wat hij ziet als de overbescherming van moderne sterren: zorgvuldig samengestelde programma’s, perfect getimede pieken en teams die hun kopmannen afschermen van onnodige ontberingen. In zijn tijd werd van renners verwacht dat ze afzagen — valpartijen, vermoeidheid en overvolle kalenders waren geen hinderpalen maar rituelen. Van der Poels succes binnen een strak gemanaged kader sluit niet aan bij De Vlaemincks definitie van hardheid.
Dat betekent niet dat hij Van der Poels talent ontkent. Zelfs De Vlaeminck geeft toe dat de pure klasse overduidelijk is. Maar voor hem staat talent niet gelijk aan grootsheid. Grootsheid, zoals hij die definieert, wordt gesmeed door langdurige tegenslag, door herhaalde confrontaties met rivalen van hetzelfde kaliber en door carrières die geen twijfel laten bestaan omdat ze alles hebben doorstaan wat de sport kon bieden.
In een wielerwereld die gretig nieuwe iconen wil kronen, blijft Roger De Vlaeminck koppig onbewogen. Voor hem is Mathieu van der Poel een uitmuntende renner van zijn generatie maar niet de maatstaf waaraan de geschiedenis herschreven moet worden. In die weigering om mee te gaan in de moderne hype blijft De Vlaeminck trouw aan zichzelf: compromisloos, oldschool en rotsvast overtuigd dat legendes over decennia worden bewezen, niet over seizoenen.













