Het debat over een mogelijke opname van het veldrijden in de Olympische Spelen is met hernieuwde intensiteit teruggekeerd, maar niet iedereen in het peloton is ervan overtuigd dat dit de juiste stap is. Een van de stemmen die tot voorzichtigheid oproept, is Thibau Nys, een van de grootste jonge talenten van de discipline, die openlijk in vraag stelt of de drang naar een Olympische status wel strookt met wat het veldrijden zo bijzonder maakt.

Het veldrijden floreert al jarenlang als wintersport, diep geworteld in traditie, vooral in België en Nederland, waar modderige omlopen, gepassioneerde supporters en korte, intense wedstrijden de identiteit van de sport bepalen. De voorbije jaren hebben bestuursorganen zoals de UCI echter gezocht naar manieren om het wereldwijde bereik te vergroten, waarbij Olympische deelname vaak wordt voorgesteld als de ultieme bekroning. Voorstanders stellen dat de Spelen ongeziene zichtbaarheid zouden bieden, nieuwe sponsors aantrekken en de ontwikkeling in opkomende wielerlanden versnellen.
Nys is er echter niet van overtuigd dat groter automatisch beter betekent. In openhartige uitspraken suggereert hij dat het Olympische discours het risico inhoudt dat politiek en expansiedrang belangrijker worden dan de kernwaarden van de sport. Voor hem is veldrijden niet zomaar een vakje dat moet worden aangevinkt op het Olympische programma, maar een discipline met een eigen ritme, kalender en cultuur. Het aanpassen van die fundamenten om te voldoen aan Olympische vereisten kan volgens hem een hoge prijs hebben.
Een van Nys’ grootste zorgen heeft te maken met timing en format. Het veldritseizoen speelt zich traditioneel af in de winter, een periode die niet netjes aansluit bij de Zomer- noch de Winterspelen. Hoewel sommigen hebben voorgesteld om de discipline aan te passen voor een winterse Olympische context, blijven er vragen over sneeuwzekerheid, parcoursontwerp en of de wedstrijden nog wel zullen lijken op het veldrijden dat fans kennen. Anderen opperen het idee van een aangepaste, meer “tv-vriendelijke” versie, een concept waarvan Nys vreest dat het de essentie van de sport uitholt.
Daarnaast stelt hij de vraag wie er werkelijk baat bij heeft. Nys wijst erop dat het veldrijden in zijn kernlanden al kan rekenen op een sterke aanhang, met uitverkochte wedstrijden en uitgebreide media-aandacht. Vanuit zijn perspectief lijdt de discipline niet aan een gebrek aan interesse, maar aan een onevenwichtige wereldwijde ontwikkeling die niet zomaar door Olympische status kan worden opgelost. Zonder duurzame investeringen in de basis dreigt een Olympisch optreden eerder een symbolische overwinning te worden dan een echte omwenteling.
Tegelijkertijd wijst Nys groei niet af. Hij erkent dat internationalisering belangrijk is en dat het veldrijden moet blijven evolueren. Zijn pleidooi gaat vooral over tempo en prioriteiten. In plaats van zich te haasten richting de Olympische Spelen, stelt hij voor om te focussen op het versterken van de Wereldbekers, het verbeteren van de parcoursdiversiteit en het ondersteunen van jonge renners in niet-traditionele regio’s. In zijn ogen zou een gezondere, meer evenwichtige discipline daarna beter geplaatst zijn om de Olympische vraag op haar eigen voorwaarden te beantwoorden.
De opmerkingen van Nys weerspiegelen een bredere spanning binnen het veldrijden: de aantrekkingskracht van traditie tegenover wereldwijde ambitie. Als lid van een nieuwe generatie, die het veldrijden en het wegwielrennen met elkaar verbindt, weegt zijn stem zwaar. Of de Olympische droom nu werkelijkheid wordt of niet, zijn scepsis herinnert eraan dat vooruitgang in de sport niet alleen draait om uitbreiding, maar ook om het bewaren van identiteit en het kiezen van het juiste pad vooruit.














