Wout van Aert heeft er nooit moeite mee gehad om zijn mening te geven, of het nu gaat over tactiek, wedstrijdplanning of de balans tussen wegwielrennen en veldrijden. Maar deze week richtte de Belgische ster zijn aandacht op een onderwerp dat velen binnen de sport erkennen, maar waar slechts weinigen zich publiekelijk over uitspreken: de wankele economische fundamenten van het professionele wielrennen. In een openhartig interview stelde Van Aert dat de financiële structuur van de WorldTour “te fragiel is om duurzaam te zijn” en ingrijpende hervormingen nodig heeft als teams en renners op lange termijn willen floreren.

Het professionele wielrennen verschilt al sinds jaar en dag op één cruciaal punt van andere grote sporten: de afhankelijkheid van sponsoring als primaire inkomstenbron. In tegenstelling tot voetbal, basketbal, Formule 1 of zelfs de moderne atletiek genereren wielerploegen nauwelijks inkomsten uit ticketverkoop, televisierechten of directe commerciële evenementen. In plaats daarvan zijn ze bijna volledig afhankelijk van bedrijfssponsors, die hun financiering op elk moment kunnen stopzetten. Volgens Van Aert maakt dat zelfs topteams kwetsbaar.
“Teams verdwijnen van de ene op de andere dag in het wielrennen,” zei hij. “Je kunt het ene jaar de grootste koersen ter wereld winnen en toch niet weten of je ploeg het volgende seizoen nog bestaat. Die onzekerheid raakt renners, staf en het hele ontwikkelingssysteem. Dat zou niet normaal mogen zijn.”
Zijn opmerkingen komen op een moment dat er steeds meer wordt gesproken over economische stabiliteit in het peloton. Verschillende teams zijn de afgelopen jaren opgeheven of gefuseerd, en zelfs gevestigde structuren hebben met financiële problemen geworsteld. Van Aert vindt dat de sport alternatieve inkomstenbronnen moet onderzoeken—vooral een eerlijkere verdeling van uitzendrechten. Hoewel de Tour de France enorme wereldwijde kijkcijfers en commerciële waarde genereert, komt slechts een klein deel van dat geld rechtstreeks bij de teams terecht.
“Wielrennen is afhankelijk van tv-exposure voor sponsorzichtbaarheid, maar de ploegen krijgen geen eerlijk deel van de waarde die ze mee creëren,” aldus Van Aert. “Als je langdurige stabiliteit wilt, heb je een model nodig waarin teams delen in de winst van de wedstrijden. Zo zijn andere sporten gegroeid.”
Zijn uitspraken sluiten aan bij vergelijkbare oproepen van andere toppers en ploegleiders, die al langer pleiten voor een meer gecentraliseerd league-model of op zijn minst een systeem waarin de grootste koersen financieel bijdragen aan de teams die hun deelnemers leveren. Van Aert benadrukt dat verandering niet van de ene dag op de andere kan plaatsvinden, maar hij gelooft dat geleidelijke stappen al verschil kunnen maken—zoals afspraken over inkomstenverdeling, hogere minimumnormen voor teambudgetten en sterkere financiële garanties voor personeel.
De Belg wees ook op de groeiende kloof tussen kapitaalkrachtige WorldTour-ploegen en teams die met minimale middelen opereren. “Het verschil in middelen wordt elk jaar groter,” zei hij. “Dat is niet gezond voor de competitie. Je hebt een systeem nodig waarin kleinere teams kunnen overleven en talent ontwikkelen, in plaats van voortdurend te vechten voor hun bestaan.”
Van Aerts invloed binnen de sport zorgt ervoor dat zijn woorden breed weerklank vinden. Als een superster met aantrekkingskracht in wegrennen, veldrijden en zelfs gravel, is hij een stem die veel fans en renners vertrouwen. Of zijn oproep tot daadwerkelijke hervormingen leidt, moet nog blijken, maar zijn boodschap is duidelijk: het wielrennen moet evolueren als het een stabiele en welvarende toekomst wil.













